Ministerie voor Sport – Jan Raateland     

Sinds 2017 hebben sportverenigingen de status van immaterieel erfgoed gekregen. Fantastisch! Dat geeft wel aan hoe belangrijk we de sportstructuur voor onze samenleving vinden. Toch kan de basis van die structuur veel steviger volgens Minister voor Sport Jan Raateland. Hij bepleit in dit artikel 5 maatregelen die de sportsector in staat stellen om juist in de post-coronatijd haar bijdrage aan het ‘sportief, gezond en vitaal houden van onze samenleving’ optimaal te (blijven) vervullen:

  1. Besef dat sport primair een lokale aangelegenheid is met grote potentie;
  2. Investeer in de kwaliteit van de bestuurlijke organisatie;
  3. Versterk de kwaliteiten van trainers;
  4. Intensiveer de samenwerking tussen sportverenigingen en scholen;
  5. Benut sport als springplank voor sociaal ondernemerschap.

Jan Raateland (1955) werkte ruim 25 jaar als (interim)manager en Hoofd HRM bij o.a. het Ministerie van Justitie, Interpol Den Haag en de Rijksrecherche. Al 45 jaar lang liggen zijn hart en ziel bij de sport en zet hij zich als bestuurder vrijwillig in voor sport en sportverenigingen. Hij was de drijvende kracht achter de realisatie van de eerste Haagse turnhal (2010).

Interview door Petra Hiemstra in het kader van ons project ‘Ministeries voor de Nieuwe Tijd’, 1 september 2020

Ministerie voor Sport? Vertel!

Ja. Er is zóveel te doen, op en rond de thema’s sport, gezondheid, welzijn, vitaliteit en inclusiviteit, dat Sport wat mij betreft voor de komende 10 jaar een eigen ministerie verdient!

Zeker de komende tijd zal van huidige en toekomstige politici en bestuurders vragen dat zij zorgzaam omgaan met de gevolgen van de Corona crisis voor onze gezondheid en onze economie.

Bij de behandeling van patiënten met het Corona-virus is het belang van een goede gezondheid en een gezond gewicht duidelijk gebleken. De meeste patiënten met een goede lichamelijke conditie, beschikten over voldoende weerstand en hadden daardoor de beste vooruitzichten op herstel.

Toch lijden in ons land miljoenen kinderen en volwassenen aan zaken die hun algehele conditie en weerstand negatief beïnvloeden. Zo hebben kinderen gemiddeld maar 2 uur sport en beweging per week op school. Velen van ons hebben last van luchtvervuiling door uitlaatgassen en meeroken, overgewicht, eenzaamheid, mentale over- of onderbelasting.

Hoe groter de uitdagingen in het leven, hoe makkelijker we grijpen naar zaken die ons snel een goed gevoel geven. Verslavende middelen bijvoorbeeld. Of ‘comfort food’:  goedkoop, bewerkt voedsel, waar vaak veel te veel suiker en zout in zit. En ook al eten we wél gezond, ook dán zijn er aanwijzingen dat sommige groenten minder vitaal zijn dan voorheen. Of onze groente en fruit ook daadwerkelijk minder vitamines en mineralen bevatten, is nooit goed onderzocht. Dat zou een mooie uitdaging voor ‘mijn’ ministerie kunnen zijn.

Kortom: als we ook de komende jaren veerkrachtig met gezondheidsvirussen of andere crisissen willen omgaan, blijft het zaak om goed en bovenal breed te kijken hoe we onze individuele en collectieve veerkracht actief eveneens breed kunnen ondersteunen.

De Romeinse dichter Juvenalis schreef nog: “orandum est ut sit mens sana in corpore sano”. Dit wordt vaak vertaald met: “We moeten bidden voor een gezonde geest in een gezond lichaam”. Wij weten gelukkig: aan gezondheid en vitaliteit kunnen we zelf én collectief veel doen!

En als we daar actief op inzetten, is het belangrijk dat mensen makkelijk de ‘juiste’ keuzes kunnen maken. Bijvoorbeeld door faciliteiten dichtbij huis aan te bieden. En zo kom ik bij mijn 1e punt:

1. Sport is primair een lokale aangelegenheid met grote potentie!

Sport is belangrijk voor de motorische ontwikkeling van jonge kinderen. Het maakt hen fysiek, mentaal en sociaal sterker. Ze kunnen er hun energie op een gezonde manier in kwijt. Samen sporten draagt bij aan saamhorigheid, zelfvertrouwen en zelfwaardering. Zo’n stevig en fijn fundament, gun ik ieder kind!

 Vanuit onze praktijk weten we dat kinderen en jongeren die willen beginnen met sporten het best te verleiden zijn met een sport of beweegmogelijkheid dichtbij: in de eigen buurt of wijk. En dat gebeurt gelukkig ook! 80% van de kinderen in de leeftijd van 6-12 jaar is lid van een sportvereniging.

Bij sportverenigingen leren kinderen ook zich sportief te ontwikkelen. Hier leren ze hun grenzen oprekken, samenwerken, doorzetten, discipline tonen, sympathiek en steunend gedrag vertonen. Hoe fijner deze eerste ervaringen zijn, hoe makkelijker het voor mensen is om hun sportieve gedrag later in het leven vol te houden. De drempel om je opnieuw bij een sportclub aan te melden, ligt stukken lager, als je eerste ervaringen positief zijn.

En hoewel de focus van de meeste sportverenigingen primair op ‘sport, bewegen en gezelligheid’ ligt, is hun maatschappelijke potentie vaak vele malen groter. Lokale verenigingen hebben vaak goed zicht op wat hun directe leefomgeving nodig en mogelijk is.

Lokale verenigingen kunnen snel en makkelijk schakelen met andere organisaties in de buurt om te kijken hoe ze de leefbaarheid en vitaliteit van de lokale bevolking kunnen verhogen. De lijnen met andere beleidsterreinen: ‘van onderwijs tot zorg’ en van ’welzijn en leefbaarheid tot werkgelegenheid’ zijn vaak kort.

Het zijn, in mijn perceptie, juist de sportverenigingen die een belangrijke rol kunnen spelen in de Nieuwe Tijd, waar het steeds meer om contributie in plaats van consumptie gaat. Juist sportverenigingen geven invulling aan het omkijken naar elkaar. Zij kunnen ervoor zorgen dat iedereen mee kan doen. Soms is het enige dat je nodig hebt om (weer) te gaan sporten  – of om een andere zinvolle dagbesteding te vinden – een uitnodiging van je buurvrouw, een huisarts of maatschappelijk werker die je over de drempel helpt, doordat hij/zij goede contacten heeft.

En ik kan me voorstellen dat je nu afvraagt: dit is toch …. logisch? Waarom moeten we ons (opnieuw) beseffen hoe belangrijk de lokaliteit van sport en sportverenigingen is?

Mijn pleidooi heeft dan ook te maken met de manier waarop de sportstructuur gegroeid is de afgelopen decennia. Het zwaartepunt is daarbij op de ‘nationale top’ komen te liggen, waardoor de sportstructuur in de basis mensen en kwaliteiten te kort komt. Ik zal dat toelichten.

Alle 24.000 sportverenigingen in Nederland zijn verenigd in een nationale bond (voor hun specifieke sport). Deze sportbonden vaardigen vertegenwoordigers af naar de nationale overkoepelende bond: het NOC*NSF. In theorie zou deze vertegenwoordigingsstructuur goed moeten werken. In de praktijk merken we dat de afstand tussen de lokale sportvereniging en de sportbonden die hen vertegenwoordigen de afgelopen decennia steeds groter is geworden.

Het belangrijkste knelpunt is dat de sportbonden het contact met de verenigingen zijn verloren. De primaire taak van de bonden ligt bij de organisatie van ‘het spelletje, de competitie en de topsport’. Sportbonden plegen relatief veel inzet voor een kleine(re) groep mensen (de topsporters) en kunnen in de praktijk nauwelijks iets voor de sportverenigingen betekenen bij écht grote vragen op lokaal niveau, namelijk: het vinden en ondersteunen van goede vrijwilligers en bestuurders.

Gelukkig heeft het ministerie van VWS dit knelpunt opgemerkt. VWS heeft de Nederlandse Sportraad verzocht te onderzoeken wat voor de sport een ideaal toekomstscenario is, als het om de organisatie en financiering gaat. Aanbevelingen van de Nederlandse Sportraad hierover worden dit najaar verwacht. Het is mijn wens en hoop dat de Sportraad in haar advies het Nationaal Sportakkoord (2018) volgt. In dit akkoord wordt de lokale kracht van sportverenigingen benoemd als de weg die moet worden ingeslagen.

Mijn verwachting is dat als we er nationaal voor kiezen, om sport en sportstimulerings-projecten grotendeels lokaal te organiseren en te financieren, dat dit zal leiden tot een betere besteding van de financiële middelen die beschikbaar zijn. Enerzijds doordat er op lokaal niveau minder overhead nodig is en anderzijds kunnen sportverenigingen meer continuïteit in aanbod bieden. Met opdrachten en middelen op lokaal niveau kunnen zij vanuit hun maatschappelijke potentie een goed aanbod ontwikkelen voor nieuwe doelgroepen waardoor meer mensen gaan sporten en bewegen.

Om dit resultaat te behalen, is het wél nodig dat de kwaliteit van de bestuurlijke organisatie omhoog gaat.

2. Investeer in de kwaliteit van de bestuurlijke organisatie

Eerst even wat achtergrond: 80% van de 24.000 sportverenigingen in Nederland hebben max. 300 leden. Het zijn kleine organisaties die veelal op liefde en passie draaien en geleid worden door vrijwilligers.

Bij 25% van de sportverenigingen gaat dat uitstekend. Deze clubs, voor het merendeel grote verenigingen met meer dan 1.000 leden, worden bestuurd door professionals die werkzaam zijn bij de overheid of in het zakenleven. Deze mensen kennen de weg. Zij weten hoe ze leiding moeten geven aan de trainers en vrijwilligers. En ze weten hoe ze zaken voor elkaar kunnen krijgen. Die andere 75% kan daarbij meer begeleiding en ondersteuning gebruiken.

Professionalisering van de bestuurlijke organisatie is noodzakelijk voor de toekomt bestendigheid van sportverenigingen. De gemeenten Rotterdam (www.rotterdamsportsupport.nl) en Utrecht (www.sportutrecht.nl) zijn hierin de pioniers; zij hebben ervoor gekozen om de samenwerking van lokale sportverenigingen te faciliteren vanuit een eigen, zelfstandige, organisatie. Vanuit die organisatie vindt de vertegenwoordiging en belangenbehartiging van de lokale sportverenigingen bij de gemeente en andere samenwerkingspartners plaats. Bestuurders van sportverenigingen kunnen professionele begeleiding en advies krijgen op allerlei gebied, van communicatie, werving van vrijwilligers tot governance. Dat werkt uitstekend! De passie blijft behouden én de organisatie wordt geprofessionaliseerd. Win-win!

3. Versterk de kwaliteiten van trainers en betaal ze!

De afgelopen maanden is er veel te doen geweest over de coachkwaliteiten van trainers. Coachen is een vak. Een professie. Een discipline die zich continu ontwikkelt.

Als we ons een veerkrachtige samenleving wensen met gezonde, fitte, weerbare mensen, verdienen sporters (volwassenen en kinderen) het ook om getraind te worden door mensen die hun kennis actief ontwikkelen en daarop ook aanspreekbaar zijn.

Mijn volgende pleidooi is daarom om trainers bij sportverenigingen, net zoals in het onderwijs en welzijn, te betalen voor hun werkzaamheden. Deze maatschappelijke investering zal de groei in professionaliteit en daarmee kwaliteit van hun begeleiding ten goede komen. Trainers krijgen hierdoor een beter toekomstperspectief en sportverenigingen kunnen daardoor de concurrentie met de commerciële aanbieders beter aan.

Zodra trainers betaald worden, hebben zij ook recht op begeleiding bij en toezicht op hun functioneren. Dan kan er een doorlopend gesprek zijn over welke trainingen zij willen volgen en kan er regelmatig op hun (voorbeeld) gedrag én de resultaten daarvan gereflecteerd worden. Als verenigingen kunnen beschikken over betaalde krachten, kunnen deze weer méér doen. Zoals de:

4. Samenwerking tussen sportverenigingen en scholen intensiveren

In veel gemeenten zijn al mooie voorbeelden van een goede samenwerking tussen onderwijs en de sportverenigingen. Echter dit is weinig structureel, want afhankelijk van de sterkte van de bestuurlijke slagkracht van de vereniging en kwetsbaar door steeds wijzigende subsidieregelingen. Het ondersteunen van scholen behoort nog niet tot de corebusiness van verenigingen. Ik zie daar juist een gouden kans! Scholen lopen over van de taken die zij moeten verrichten. Sportverenigingen kunnen, zeker als zij de beschikking hebben over kwalitatief goede vakdocenten, scholen uitstekend ontlasten. Op dit moment krijgen kinderen gemiddeld maar 2 uur gym per week, terwijl waarschijnlijk 5 uur sport of een andere vorm van lichaamswerk veel beter past bij de natuurlijke behoeftes van kinderen.

Ook kost het ouders veel tijd om de ‘sportlogistiek’ te regelen en brengen zij verplicht veel tijd aan de rand van het zwembad door. Hierin kunnen sportverenigingen veel meer betekenen. Dat geeft rust in gezinnen en stelt scholen in staat om zich te focussen op hun primaire kerntaken.

Nog één punt? Goed.

5. Sport als springplank voor sociaal ondernemerschap

Als we sport een centrale en lokale plek geven in de Nieuwe Tijd, is dit ook bij uitstek een mogelijkheid om samenwerkingen aan te gaan met lokale sociale Ondernemers, zoals Ian bij het Ministerie voor Nuance.

Veel activiteiten op- en rond sportterreinen kunnen worden uitgevoerd door lokale sociale ondernemingen, die mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt juist met een voorsprong op de arbeidsmarkt zetten.

Het mooie aan samenwerken met sociale ondernemingen is dat bij hen maatschappelijke en ecologische winst voorop staat. En dat de geldelijke winst die zij maken met hun producten en diensten, vrijwel volledig wordt geherinvesteerd en dus steeds opnieuw ten goede blijft komen aan de lokale gemeenschap.

Wat dat betreft kijk ik met bewondering naar de manier waarop de burgemeester van Parijs, Anne Hidalgo, opereert. Zij heeft zich tot doel gesteld dat alle activiteiten rond de Olympische Spelen in 2024 uitgevoerd worden door sociaal ondernemers.

Wat nu als alle sportverenigingen in ons land haar voorbeeld volgen?

Karl Popper zei ooit ‘Optimisme is een morele plicht’. Ik denk dat hij gelijk heeft. Alleen vanuit optimisme kunnen we ’onmogelijk’ geachte zaken verwerkelijken. En kunnen we op lokaal niveau invulling geven aan de betekenis van de 5 olympische ringen, die ons allen oproepen te sporten en te leven vanuit passie, vertrouwen, overwinning, ethiek en sportiviteit.

Lees ook…

3 oplossingen voor een gezonder en duurzamer Nederland van het Voedingscentrum:

1. Stimuleer het eten volgens de Schijf van Vijf:

Eet meer plantaardig (groente, fruit, granen en peulvruchten) en minder dierlijk.
Eet en drink minder buiten de Schijf van Vijf (snoep, snacks, suikerhoudende dranken en alcohol).
Voorkom voedselverspilling

2. Zorg voor structureel voedselonderwijs – Kinderen die meer weten over voedsel (herkomst, productiewijze, samenstelling, bereiding) eten later vaak gezonder. Kennis combineren met vaardigheden (koken, samen eten, proeven, groente verbouwen) vergroot de impact van voedselonderwijs nog verder. Structureel voedselonderwijs is de basis voor een gezonder Nederland.

3. Maak de eetomgeving gezonder – Maak de gezonde keuze de makkelijke keuze. In het straatbeeld en ook in bijvoorbeeld kantines. 

Schrijf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *