Nooit stoppen met leren, dirigeren, zoeken I Interview Maestro Herbert Blomstedt I Trouw 21 januari 2016

TROUW I FREDERIKE BERNTSEN I 21/01/16, 01:32 Interview | Herbert Blomstedt is (opnieuw) te gast bij het Concertgebouworkest. De oude maestro, 88 jaar, is op de bok nog steeds extreem alert en vitaal. Hoe hij dat volhoudt? 'Ik heb het beste van vele werelden mogen verenigen in mijn leven.'
Het is geen nieuws dat veel dirigenten tot op hoge leeftijd op de bok staan, maar wel intrigerend. Een van de oudere giganten in het land der maestro’s is Herbert Blomstedt: achtentachtig jaar, groots in zijn eenvoud, oud-chef van begeerde orkesten, van de Staatskapelle in Dresden tot de San Francisco Symphony en het Leipziger Gewandhausorchester aan toe. En ook: zevendedagsadventist, belezen, streng.
De mist hangt laag over de Vierwaldstättersee, het meer waaraan Luzern ligt. Een klimmetje naar boven: in de huiskamer van de Scandinaviër Blomstedt heersen orde en rust – zijn bibliotheek met kunst, muziek en literatuur in diverse talen heeft hij onlangs aan de Universiteit van Gotenburg geschonken. Op de achtergrond tikt zachtjes een klok. Milaan is net achter de rug, daar dirigeerde hij in de Scala, op de agenda staat nu het Amsterdamse Concertgebouworkest waar hij sinds jaar en dag geregeld te gast is. Als je Blomstedt aan het werk ziet in rokkostuum, trap op trap af, een buiging, en nog een, vraag je je af hoe het kan, op deze leeftijd, zo’n fysieke inspanning, zo extreem alert en vitaal.

Houdt muziek u jong, of hebt u gewoon erg veel geluk?”Ik voel me inderdaad een geluksvogel, ik denk dat ik het beste van vele werelden heb mogen verenigen in mijn leven. Ik hou me alleen bezig met de muziek die me voor honderd procent bevalt en die wil ik delen met zo veel mogelijk mensen. Ik heb medelijden met hen die de schoonheid ervan nog niet ontdekt hebben – muziek kan je leven zo gelukkig maken. Al kun je maar één persoon overtuigen tijdens een concert: het delen van die ervaring, daar doen we het voor.

“Ik kom uit een zeer christelijk gezin en daar ben ik erg blij om; het heeft me een hoop ellende bespaard, me behoed voor het doen van domme dingen. Mijn vader was predikant en nogal fundamentalistisch, iets wat ik niet met hem deel. Hij was heel consequent, heel intelligent, en dat vond ik prettig. Ik was het niet in alles met hem eens, maar dat is niet erg, want hij geloofde erin. Religie heeft mijn persoonlijkheid gevormd. Godsdienst kan gevaarlijk zijn en richt soms meer ellende aan dan dat ze goed doet; maar de positieve kanten ervan zijn geweldig. Het is een wonderbaarlijke bron van kracht die bruikbare richtlijnen voor het dagelijks leven kan geven. Maar ik hou er niet van om religie te verspreiden.

Schaken? Onzin!

“Mijn vader vertelde zijn zoons: wees zorgvuldig met je tijd. Leren schaken? Onzin! Als hij nu zou leven, zou hij afgeven op de computer: concentreer je alsjeblieft op zaken die er toe doen. Ik verbeeld me dat ik dat enigszins voor elkaar heb gekregen. Soms zou ik willen kunnen schaken. Maar dan: nee, ik heb geen tijd, ik wil me met die en die partituur bezighouden, dit en dat doen voor mijn kinderen. Ik voetbalde vroeger, dat was fantastisch, maar mijn vader vond het helemaal niets. Ik heb er wel teamspirit en een goede fysieke conditie aan overgehouden. Al mijn hele leven ben ik vegetariër, ik heb nooit gerookt, nooit alcohol gedronken. Daar ben ik gelukkig mee.”

Het repertoire van Blomstedt – van huis uit violist – is zeer breed, ondanks zijn voorkeuren voor componisten als Nielsen en Sibelius. Aan de Schola Cantorum Basiliensis nam hij de beginselen van de renaissance- en barokmuziek tot zich, in Darmstadt vormde hij zijn kijk op hedendaagse muziek. Igor Markevitsj bracht hem de basis van zijn spectaculaire dirigeertechniek bij: geen beweging te veel.

“Ik heb nooit gepland om dirigent te worden. Als kind droomde ik van muziek, van het spelen van strijkkwartetten, en dat deden we ook, in de familiekring, op zaterdag van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Alle Haydnkwartetten, Mozart, wat Beethoven. Ik geloof dat ik ook had bedacht dat ik weleens een Bachcantate zou willen dirigeren in een kerk. Het orkest in Gotenburg, waar ik ben opgegroeid, was destijds, in oorlogstijd, zonder twijfel het beste orkest van Zweden. Veel Joden vluchtten voor de nazi’s naar ons land, dat zorgde voor talent in het orkest. Samen met mijn broer had ik een abonnement, zelf betaald van mijn krantenwijk, ik was twaalf, zoiets. We zaten op slechte plaatsen, maar we zogen de muziek op.”

Veert op uit de kussens van de bank: “En we waren kritisch. Het Eerste pianoconcert van Liszt: wat een kitsch! Beethoven, Brahms, Bruckner: hemels! We gingen naar de concerten omdat we gefascineerd waren door de muziek, niet door de dirigent. Op weg naar huis zongen we de melodieën, thuis probeerde ik op te schrijven wat ik had gehoord, om het niet te vergeten. Een platenspeler hadden we niet.”

Blomstedt was chef van verschillende Scandinavische orkesten. In de jaren zeventig kwam de Staatskapelle Dresden in beeld. Orkest en dirigent omarmden elkaar, maar niet vanzelf. Dirigeren in een communistisch land? Geen sprake van. “Het orkest gaf niet op, drukte me de Duitse cultuur onder de neus waar het kon, zeer doelgericht en vasthoudend.”

Karaktertrekken die u ook hebt…

“Ja, we pasten dan ook erg goed bij elkaar… Een trucje van ze: ze stuurden me een bandopname waarop Von Karajan de musici in zijn hart sloot na een opnamesessie met Wagner. Zijn woorden, gericht aan het orkest, hielpen mij over de drempel. Dit kon ik niet weigeren. Mijn periode als chef in Dresden behoort tot de gelukkigste tijd van mijn leven, samen met San Francisco, daarna. Ik keer er regelmatig terug.”

Wat is er nodig om een dirigent van uw statuur te worden?

Twee kalme, scherp priemende ogen boven een winterse coltrui; Blomstedt denkt rustig na, zijn antwoorden formuleert hij zorgvuldig, nu eens in het Duits, dan weer in het Engels.

“Voor een deel is het zo dat je dirigent bent of niet. Je psychologische set-up kun je een beetje veranderen en ontwikkelen, maar niet veel. De technische aspecten kun je wel leren. Je moet ook een goed musicus zijn, in staat zijn jezelf uit te drukken op wat voor instrument dan ook. Het ensemblegevoel kennen, weten hoe een ensemble klinkt, de balans. Een orkest klinkt op zijn best met de helderheid van een strijkkwartet.

“Maar misschien is het wel het belangrijkste om echt van de muziek te houden. Het is essentieel meer van de muziek te houden dan van jezelf. Je kunt ook een goed dirigent zijn als je meer van jezelf dan van de muziek houdt, maar dan kom je niet tot de kern. En je moet een goede visie hebben, een goede verbeelding. Orkesten zoeken leiderschap, de spelers willen iets nieuws, niet wat ze al honderd keer gedaan hebben.

“Een goede dirigent heeft een plan dat makkelijk begrepen wordt door een groep musici. Niet met woorden, maar door hoe hij zich gedraagt, beweegt. Een eigen interpretatie ontwikkelen is buitengewoon belangrijk. En alles hangt af van wat voor persoon je bent – de persoon achter de visie is het interessantste deel van het hele verhaal. Waarom is iemand een geweldig musicus? Niet omdat hij beter speelt dan een ander, maar omdat zijn persoonlijkheid verschillende ideeën kan combineren tot iets unieks. De persoon achter de muziek vormt de muziek. Dat maakt dat er geen twee musici hetzelfde zijn.

“Verder kun je nooit álles hebben. Da Vinci zei: iets wat geen grenzen heeft, heeft ook geen vorm. Dat gaat op voor een kunstwerk, maar ook voor mensen. Als er geen grenzen zijn binnen je persoonlijkheid, kun je die ook niet definiëren. Grenzen kun je oprekken, dat is de uitdaging. Ik voel me zeker gelimiteerd, zou graag wat meer verbeeldingskracht hebben, sneller willen kunnen reageren en handelen, sneller tot de kern willen komen. Ik ben langzaam: het leren van een partituur kost me vaak maanden, soms een jaar. En ik zou willen weten wanneer ik mijn geduld mag verliezen, want ik verlies mijn geduld nooit. Zou handig zijn, want sommige mensen begrijpen je anders niet.

“Ik ben erg koppig, als ik ergens in geloof, geef ik niet op. Maar ik zou nog consequenter kunnen zijn. Iedere goede musicus probeert beter en beter te worden. Vaak sta ik voor dit dilemma: er is nog vijf minuten repetitietijd over, bederf ik de prima sfeer door de duimschroeven nog verder aan te draaien tot ik krijg wat ik in mijn hoofd heb, of doe ik alsof het nu in orde is, en werk ik naar een volgend concert toe? Het ene concert is slechts de voorbereiding voor het volgende. Het gevoel dat je nooit hebt bereikt wat je wilt, het concert was prima, maar…! Je moet blij zijn met wat je hebt bereikt, maar ik kan dat niet. Het kan altijd beter.

Levenskunstenaar

“Mijn persoonlijke leven loopt daarmee parallel. Ieders leven is een kunstwerk, en je bent zelf de enige die er verantwoordelijk voor is. Je weet wat je kunt, wat je talenten zijn, en daarmee werk je toe naar succes. Mensen die dat niet willen, zijn geen levenskunstenaars. Als je tevreden bent met hoe het loopt, voel je je misschien best prettig of zelfs gelukkig, maar ben je ook een beetje dood. De permanente uitdaging helpt mij vooruit. Lauwwarm werkt niet, is niet inspirerend. Het leven is werk in uitvoering, terugvallen en keihard terugknokken. Dat is een filosofie, een religie.

“In zijn essay ‘Wat is kunst?’ zegt Tolstoj dat een echte kunstenaar altijd op zoek is. Als hij niet op zoek is, is hij een propagandist of een charlatan. Dat is de reden waarom ik nooit stop met leren, met dirigeren, met zoeken. Dirigenten zijn niet afhankelijk van de fijne motoriek van de vingers, zoals een violist of pianist. Een dirigent kan langer doorgaan, altijd op zoek naar iets beters, naar iets wat nog meer waarheid bevat. Toen ik vanmorgen wakker werd – ik ga heel laat naar bed en ik sta erg vroeg op, de dagen zijn nooit lang genoeg voor mij- dacht ik aan Beethovens Negende symfonie. Ik ging in mijn hoofd door de hele partituur en ik ontdekte compleet nieuwe dingen. Ik combineerde elementen die ik nooit eerder had gecombineerd, waardoor de muziek meer reliëf krijgt en veel betekenisvoller wordt. Soms ontdek je iets en dan is het net alsof je de componist ontmoet. Heel opwindend.

“Mijn hele leven is muziek. En gelukkig hield mijn vrouw – ze is twaalf jaar geleden overleden – van muziek. Ze woonde al mijn concerten bij, ze kon er geen genoeg van krijgen. Toen de kinderen klein waren, was ze thuis. Later hebben we altijd samen gereisd. Zonder zo’n vrouw zou een leven als dirigent erg lastig zijn geweest. We hebben vier dochters. De jongste kreeg diabetes toen ze twee was; een aantal keren per dag had ze injecties nodig. Dat is niet makkelijk voor een moeder, en dan zat ik in Japan of in de Verenigde Staten. Daar heb ik wel een slecht geweten over. Ik schreef haar iedere dag een briefkaart. Op zolder staan schoenendozen vol, met iets van zevenduizend stuks, een heel dagboek. Het was een belangrijke manier om contact te houden.”

Het Concertgebouworkest onder leiding van Herbert Blomstedt treedt vanavond om 20.15 uur op in het Concertgebouw, Amsterdam: 22 januari om 20.00 uur in het Palais des Beaux-Arts, Brussel; 23 januari om 19.00 uur in Theater Heerlen. Info en kaarten: concertgebouworkest.nl

 

0 SCHRIJF EEN REACTIE

Schrijf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *