Paradijsvogel?

Paradijsvogel

“Ik heb er zo’n hekel aan, als ze me op het werk een paradijsvogel noemen”, verzucht een vriendin in een apprespons op één van mijn laatste blogs. We appen regelmatig over haar haat-liefde verhouding met neurodivergentie. Ze vervolgt:

“Me paradijsvogel noemen: dat is een reden om me bepaalde opdrachten niet te geven, omdat ze bang zijn dat ik me niet aan hun regels houd … Daar hebben ze gelijk in, maar ik heb die plek nodig om de regels te kunnen veranderen … Daar heeft de samenleving meer aan. Ambtenaren trouwens ook, maar die zijn bang voor verandering en ons huidige DT/MT is niet sterk genoeg om ermee aan de slag te gaan. Dus ik zoek naar andere oplossingen. Dus in plaats van strategisch te adviseren, probeer ik strategisch te handelen, omdat ik denk dat dat nodig is. Regelmatig buiten zijn, helpt me daarbij.”

Daarom deze kleine ode voor haar én alle andere (zelf) (be/ge)noemde paradijsvogels …

Paradijsvogel

Op t werk noemen ze me
een paradijsvogel.
Lief bedoeld.
Kleurrijk.
Eigenzinnig.
Een tikje exotisch.
Prachtig zelfs —
zolang ik maar
op mijn eigen tak blijf zitten.
Want paradijsvogels
houden zich niet altijd
aan de regels
van de volière.
Klopt.
Ik zie een hek
en vraag me af
waarom het er staat.
Ik zie een regel
en vraag
wie er beter van wordt.
Ik zie een deur
en denk:
kan die ook open?
Dat maakt me
blijkbaar minder geschikt
om binnen
strategisch te adviseren.
Terwijl ik die plek
juist nodig heb
om van binnenuit
te helpen veranderen
wat van buitenaf
allang niet meer klopt.
Dus als ik niet
strategisch mag adviseren,
zal ik maar
strategisch handelen.
Niet tégen de regels,
maar vóór
wat er mogelijk wordt
als iemand
zo nu en dan
het kooitje openzet.
En anders?
Ga ik naar buiten.
Daar is meer lucht.
En gek genoeg
zie ik van daaruit
vaak beter
waar binnen

beweging nodig is.

Petra Hiemstra

Delen: