Waarom reageren sommige mensen zó heftig op afwijzing terwijl anderen daar relatief ontspannen onder blijven? Wat maakt dat de ene persoon zich voortdurend verantwoordelijk voelt voor het welzijn van anderen terwijl de ander moeiteloos grenzen stelt? Waarom ontstaan lichamelijke klachten, angsten of depressieve gevoelens soms juist rond een leeftijd waarop een ouder, grootouder of ander familielid iets ingrijpends meemaakte?
Dat zijn de vragen waarmee de Amerikaanse traumatherapeut Mark Wolynn zich al jarenlang bezighoudt. In zijn nieuwe werkboek Het is (nog steeds) niet met jou begonnen – De erfenis van familietrauma, verschenen in 2026 bij Uitgeverij AnkhHermes, neemt hij lezers stap voor stap mee in de wereld van intergenerationeel trauma, hechtingstrauma en systemische heling.
Waar zijn eerdere boek vooral inzicht bood, is dit werkboek vooral praktisch. Het staat vol oefeningen, reflectievragen, lichaamsgerichte observaties en zogenaamde “helende zinnen”. Soms voelt het bijna alsof Wolynn naast je zit en zegt: kijk eens wat zachter. Kijk eens eerlijker. Luister eens beter naar wat jouw lichaam, angsten en relaties misschien al jaren proberen te vertellen …
boekbespreking en recensie door Petra Hiemstra, 15 mei 2026
Wat direct opvalt, is dat Wolynn niet begint met theorie maar met een bodyscan. Nog vóór de eerste analyses verschijnen, nodigt hij zijn lezers uit om het bewustzijn langzaam door het lichaam te laten gaan.
Waar voel je levenskracht? Waar voel je juist leegte, spanning, kou, verkramping of afwezigheid? Welke plekken voelen open en welke voelen alsof ze zich al jaren schrap zetten?
Daarmee zet hij meteen de toon neer van het boek: trauma zit niet alleen in herinneringen maar ook in zenuwstelsels.
Volgens Wolynn hangen traumareacties vaak samen met lichamelijke signalen als verstarring, rug- of nekpijn, verhoogde hartslag, zweten, schrikachtigheid, misselijkheid of een voortdurende staat van alertheid. Sommige mensen willen aanvallen. Anderen willen verdwijnen. Vluchten. Pleasen. Zich terugtrekken. Hard werken. Alles onder controle houden.
Juist die lichamelijke benadering maakt het werkboek toegankelijk. Veel mensen weten rationeel allang dát er iets speelt maar hebben nooit geleerd werkelijk te luisteren naar hun lichaam.
Een eerste deel van het werkboek draait om hechtingstrauma. Wolynn vraagt lezers om te onderzoeken waar in hun familiegeschiedenis eventuele breuken in de moeder-(of vader)kindband ontstonden. Dat kunnen zichtbare breuken zijn zoals overlijden, adoptie of verlating maar ook subtielere vormen van afwezigheid: een moeder (vader of verzorger) die depressief was, overvraagd, ziek, angstig of emotioneel niet beschikbaar.
Daarnaast laat hij lezers kijken naar de strategieën die zij ontwikkelden om pijn te vermijden of liefde veilig te stellen. Dat levert confronterend herkenbare checklijstjes op:
□ Ik word extreem doelgericht in alles wat ik doe
□ Ik doe alsof ik heel capabel ben
□ Ik doe alsof ik superintelligent ben
□ Ik stel me heel onafhankelijk op
□ Ik stel me heel zelfstandig op
□ Ik doe extreem aardig
□ Ik ben een pleaser
□ Ik geef liever dan dat ik neem
Wat sterk is aan Wolynns benadering, is dat hij deze patronen niet veroordeelt. Hij kijkt er met mildheid naar. Alsof hij zegt: natuurlijk ben je dit gaan doen. Ooit hielp dit gedrag je om verbonden te blijven, afwijzing te voorkomen of emotioneel te overleven.
Een belangrijk concept in het werkboek zijn de zogenaamde “kernzinnen”. Dat zijn korte innerlijke overtuigingen die volgens Wolynn vaak onder angst, gedrag of lichamelijke klachten liggen.
Bij hechtingstrauma klinken bijvoorbeeld zinnen door als:
Bij intergenerationeel trauma ziet hij vaker existentiëlere angsten:
Volgens Wolynn hebben zulke kernzinnen vaak een aantal kenmerken. Ze beginnen regelmatig met “Ik…” of “Zij…”. Ze bestaan uit slechts een paar woorden maar dragen een enorme emotionele lading. En ze blijken opvallend vaak verbonden met traumatische gebeurtenissen in de familiegeschiedenis.
Juist die eenvoud maakt ze zo aangrijpend.
Want onder veel perfectionisme, controle, zorgzaamheid of onafhankelijkheid blijkt uiteindelijk vaak een veel eenvoudiger angst te liggen:
Niemand komt me halen.
Ik hoor er niet bij.
Ik ben niet veilig.
Wolynn nodigt lezers voortdurend uit om naar patronen te kijken. Niet alleen naar gedrag maar ook naar leeftijden, emoties en terugkerend taalgebruik binnen families.
Ontstonden jouw klachten rond dezelfde leeftijd waarop een ouder iets ingrijpends meemaakte? Werd je depressief op de leeftijd waarop een grootouder overleed? Voel je onbewust weerstand tegen geluk omdat je inmiddels ouder bent geworden dan je vader of moeder ooit werd?
Dat zijn indringende vragen. En soms bijna ontregelende vragen.
Wolynn beschrijft hoe mensen onbewust loyaal kunnen blijven aan het verdriet of lot van hun familie. Sommige kinderen proberen symbolisch het lot van een ouder te delen. Door zichzelf weg te cijferen, destructief gedrag te vertonen, verslaafd te raken of ziek te worden. Of door emotioneel mee te lijden.
Hij onderscheidt daarin vier grote dynamieken:
Binnen die versmelting ontstaan volgens hem vaak innerlijke loyaliteitszinnen zoals:
Het zijn passages die soms dicht schuren tegen wijsheid vanuit familieopstellingen, systemisch werk en traumapsychologie tegelijk. Niet alles in het boek zal wetenschappelijk even hard aantoonbaar zijn. Tegelijkertijd zullen veel lezers zich pijnlijk goed herkennen in bepaalde dynamieken.
Wat het werkboek uiteindelijk hoopvol maakt, is dat Wolynn niet blijft hangen in analyse. Hij zoekt voortdurend naar herstel.
Daarbij nodigt hij zijn cliënten/lezers uit “helende zinnen” uit te spreken:
Ook formuleert hij zinnen die ouders tegen hun kinderen zouden kunnen zeggen:
Voor kinderen die hun ouders nooit hebben gekend of vroeg verloren, biedt hij eveneens alternatieve zinnen van erkenning en verzachting aan.
Hier wordt zichtbaar waar Wolynns benadering sterk op inzet: herstel van de verbinding. Hij gelooft duidelijk dat er via de ouder-kindrelatie alsnog voeding, kracht en heling kan gaan stromen.
En juist daar merkte ik zelf tijdens het lezen soms ook een zekere spanning.
In mijn eigen werk met hoogvliegers, sensitieve professionals en mensen met hechtingstrauma sta ik vaak explicieter stil bij het verdriet om wat er nooit geweest is. Het gemis. De leegte. Het ontbreken van veiligheid, bescherming, afstemming of emotionele bedding.
Sommige mensen zullen nooit volledig ontvangen wat zij als kind nodig hadden.
En soms vraagt heling niet alleen om verbinding herstellen maar ook om rouw. Om te erkennen dat bepaalde verlangens onvervuld blijven. Om nieuwe manieren te vinden van “aantakken” bij het leven, bij gemeenschap, bij gekozen familie, betekenisgeving of spiritualiteit. Zelf merk ik dat het veel van mijn coachees helpt om innerlijke boosheid er eerst uit te boxen. Boosheid voelen kan ook betekenen: je weer levend voelen. Soms moet er éérst boosheid uit, voor er dieper gedoken kan worden naar verdriet. Om pas vandaaruit te kijken naar: OF en zo ja: hoe dan samen verder …
Dat maakt Wolynns werk voor mij niet minder waardevol. Integendeel.
Juist omdat hij duizenden vragen aanreikt die mensen helpen om langzamer, eerlijker en milder naar zichzelf te kijken. Niet vanuit schuld of slachtofferschap maar vanuit nieuwsgierigheid naar wat generaties lang misschien verborgen bleef.
Voor iedereen die geïnteresseerd is in familietrauma, intergenerationeel trauma, hechtingstrauma en heling is dit werkboek daarom een rijke en praktische gids. Geen snel zelfhulpboek. Geen eenvoudige oplossing. Maar wel een uitnodiging om stap voor stap woorden te geven aan wat jarenlang misschien alleen voelbaar was.
Wil je meedoen?
Mail dan naar petra.hiemstra@haagsehoogvliegers.nl en zet in de titel : Het is (nog steeds) niet met jou begonnen. Vermeld in de mail je naam en adresgegevens.
De boeken worden verloot na publicatie van dit artikel in mijn nieuwsbrief in de zomer van 2026. De namen van de winnaars worden op deze plek bekendgemaakt.
Kun je niet wachten?
Ren dan naar je plaatselijke bieb of boekhandel.
Of klik hier voor bol of managementboek. Het boek kost 24,50 Euro