Er is de afgelopen jaren veel geschreven over neurodiversiteit. Over hoogbegaafdheid. AD(H)D. Autisme. Hoogsensitiviteit. Over breinen die sneller schakelen, dieper voelen, associatiever denken of heftiger reageren op prikkels dan gemiddeld. Gelukkig maar.
Dankzij boeken, podcasts, wetenschappers en een groeiende maatschappelijke belangstelling ontstaat er gestaag meer begrip voor mensen die jarenlang vooral het gevoel hadden dat ze “te veel” waren. Te druk. Te intens. Langzaam groeit het besef dat ‘een tikkeltje anders’ op de werkvloer, eigenlijk heel normaal is. Superfijn! Wat ik echter in de discussies over hoogbegaafdheid nog wel eens mis, is het besef bij ons hoogvliegers zelf wat wij daarin vragen van onze liefsten, collega’s en vrienden.
Natuurlijk hebben wij recht op een plek. Verdienen we ruimte voor onze expressiviteit, intensiteit en soms ook briljantie. Maar die ruimte ontstaat zelden vanzelf. Ze wordt vaak mogelijk gemaakt door fijne mensen die meebewegen, incasseren, aanvullen, verdragen en ondersteunen. Mensen die daar lang niet altijd de erkenning voor krijgen die ze verdienen.
Daarom bij deze een ode aan de mensen die ons helpen aarden, vliegen en weer landen. Want hoe autonoom wij onszelf ook graag voorstellen: de meeste hoogvliegers vliegen uiteindelijk verrassend laag zonder degelijk grondpersoneel.
En dat bedoel ik oprecht liefdevol.
Want achter vrijwel iedere neurodiverse professional, partner of denker staat doorgaans een kleine kring mensen die ongemerkt meebeweegt. Mensen die van nature goed kunnen omgaan met overprikkeling van anderen. Of die gaandeweg gevoel ontwikkelen voor plotselinge systeemupdates, intense gevoeligheid, existentieel getinte restaurantbesprekingen en discussies over lichtinval die verrassend dicht tegen internationale vredesonderhandelingen aan kunnen schurken.
door Petra Hiemstra, 19 mei 2026
Neem mijn partner. Een behoorlijk slimme, eloquente, ondernemende en zorgzame man.
Na tien jaar samenzijn weet ik vrij zeker dat hij mij graag ziet. Sterker nog: volgens mij vindt hij me oprecht leuk. Dat zegt iets over zijn karakter. Want ik ben in vrijwel alle opzichten quite a handful.
Zo wil ik bijvoorbeeld niet trouwen maar wilde ik wel een ring. Die kreeg ik. Ik wil ook niet samenwonen maar wel een LAT-relatie én enkele weken per jaar alleen op vakantie. Aan dat idee moest hij even wennen. Maar vooruit. Ook akkoord. Muziek mag best aan in huis, gezellig zelfs, maar dan wel met oordoppen. Voor hem.
Een dierbare vriendin verweet me vorig jaar: “Bij jou is het ook altijd: your way or the highway.” Waarop ik onmiddellijk dacht dat dit wel een erg zwart-witte formulering was. Er bestaan immers ook provinciale wegen …
En nee, ik hoef echt niet altijd mijn zin te krijgen. Integendeel. Ik ben doorgaans een warme, attente en loyale vriendin. Ik schrijf kaarten, onthoud details, luister goed en koop cadeaus die emotioneel nét iets te raak zijn. Maar ik leef mijn leven wel binnen vrij specifieke marges.
Ook mijn werk — het allerleukste werk dat ik me kan voorstellen — is relationele topsport. Dus nee, ik doe niet graag moeilijk om het moeilijk doen en wil niet koste wat kost op mijn strepen staan. Maar ik heb wel geleerd beter voor mijn gezondheid en welzijn op te komen. Want ik weet inmiddels ook wat het gevolg is als ik dat niet doe. Dan word ik ziek. Krijg ik genadeloos de rekening gepresenteerd. En reageert mijn lichaam met protest. Alsof iemand een espressoapparaat probeert aan te sluiten op een kerstlampje.
In mijn praktijk ontmoet ik veel hoogvliegers die niet alleen worstelen met intensiteit of overprikkeling maar ook met een diep gevoel van emotionele eenzaamheid. Mensen die als kind al vroeg leerden zich aan te passen, te presteren, zichzelf te rationaliseren of delen van zichzelf te verbergen om aansluiting te houden met hun omgeving.
De Zwitserse psychoanalytica Alice Miller beschreef dit als één van de eersten indringend in Het drama van het begaafde kind. Niet omdat begaafdheid zelf een drama zou zijn maar omdat sommige gevoelige en scherp waarnemende kinderen zó vroeg leren aanvoelen wat hun omgeving nodig heeft dat zij ongemerkt het contact met hun eigen behoeften verliezen.
Veel hoogbegaafde volwassenen herkennen iets van die dynamiek. Niet zelden speelt er een geschiedenis van emotionele verwaarlozing, parentificatie of voortdurend het gevoel “te veel”, “te intens” of “te ingewikkeld” te zijn geweest. Juist sensitieve kinderen ontwikkelen vaak een bijna pijnlijke gevoeligheid voor stemmingen, verwachtingen en subtiele afwijzing.
Daarom kan het ongelooflijk helend zijn wanneer een hoogvlieger later in het leven een partner treft die werkelijk ruimte maakt voor wie hij of zij ten diepste is. Iemand die niet voortdurend probeert af te remmen, te normaliseren of te corrigeren maar die kan meebewegen, aanvullen en ondersteunen zonder zichzelf daarin kwijt te raken. Iemand die dienend is zonder soft te zijn. Die stevig is zonder hard te hoeven zijn.
Dat vraagt wederkerigheid. Want liefde kan nooit betekenen dat één persoon zich permanent aanpast aan de ander. Gezonde relaties ontstaan juist wanneer beide mensen verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen gevoeligheden, grenzen en ontwikkeling. Maar wat een zegen is het wanneer iemand niet schrikt van jouw intensiteit maar die helemaal kan omarmen en koesteren.
De Nederlandse psychiater en grondlegger van de bevestigingsleer Anna Terruwe verwoordde misschien wel het diepste verlangen van veel sensitieve en hoogbegaafde mensen. Het verlangen dat iemand tegen je zegt of laat voelen:
“Ik hou van je. Gewoon helemaal zoals je bent. Bij mij mag je zijn wie je bent, om te worden wie je bent, maar nog niet kunt zijn. En je mag het worden, op jouw manier en in jouw tijd.”
Misschien is dat uiteindelijk één van de mooiste vormen van emotionele veiligheid. Niet dat iemand precies hetzelfde is als jij maar dat iemand ruimte maakt voor jouw menswording zonder dat je je voortdurend kleiner, stiller of eenvoudiger hoeft te maken. Zo iemand kan zelfs de kleinste calimero laten uitgroeien tot de paradijsvogel die hij of zij in essentie is.
Wat me steeds meer raakt, is hoeveel aanpassingsvermogen sommige partners, collega’s en vrienden ontwikkelen zonder dat daar veel taal voor bestaat.
In sociologische literatuur wordt wel gesproken over emotional labour: het voortdurend afstemmen op emoties, spanningen en behoeften van anderen. Meestal gaat dat over mensen in zorgberoepen. Maar eerlijk gezegd denk ik dat sommige partners of managers van hoogvliegers hier inmiddels ook een eredoctoraat in verdienen.
Ze leren gaandeweg in de relatie dat stilte soms liefdestaal is. Dat “ik ben moe” meestal niet betekent “ik vind jou niet leuk”. Dat sommige discussies geen ruzies zijn maar live uitgezonden denktanks. En dat een hoogvlieger tegelijkertijd overprikkeld én ondergestimuleerd kan zijn. Wat wetenschappelijk onmogelijk klinkt maar in de praktijk dagelijks voorkomt.
De Poolse psychiater Kazimierz Dabrowski beschreef al hoe intensiteit zich bij sommige mensen sterker manifesteert op emotioneel, fysiek, zintuiglijk en intellectueel niveau en hoe je negatieve imprints kunt ombuigen door positieve desintegratie. Ook Elaine Aron en Imi Lo schreven uitgebreid over verhoogde gevoeligheid voor prikkels. Fascinerend allemaal. Maar persoonlijk zou ik daarnaast graag meer onderzoek zien naar de partner die na opnieuw een uitvoerige analyse van de akoestiek in een restaurant nog steeds liefdevol weet te zeggen:
“Prima schat, dan kijken we samen even verder naar een plek waar je je fijner voelt.”
Relatietherapeut Esther Perel merkt ergens op dat liefde niet alleen draait om gezien worden maar ook om het vermogen de werkelijkheid van de ander enigszins te kunnen verdragen. Dat lijkt me voor relaties met hoogvliegers geen onbelangrijk uitgangspunt.
In de loop der jaren heb ik geleerd mijn eigenaardigheden enigszins te ondertitelen. Dat helpt enorm. Ik leg tegenwoordig vrij helder uit waarom een gesprek van anderhalf uur meestal voldoende is, waarom “gezellig druk” voor mij biologisch vrijwel hetzelfde voelt als een Vikingaanval en waarom ik alleen ergens wil eten als het er idealiter bijna stil is.
Binnen die marges ben ik uitstekend gezelschap. Houd ik die marges niet in ere, dan betalen we daar doorgaans samen de prijs voor. Ik word moe, humeurig en soms ook verdrietig.
Eigenlijk zijn veel relaties met hoogvliegers één grote diplomatieke topontmoeting.
“Zullen we een weekend weg?” — “Is er een aparte slaapkamer?”
“Zullen we naar een festival?” — “Haha. Nee.”
En toch zit daar iets ontroerends in. Want liefde blijkt uiteindelijk vaak verrassend praktisch. Liefde is soms gewoon oordoppen indoen zonder beledigd te raken. Begrijpen dat iemand alleen moet opladen. Accepteren dat stilte geen afwijzing is. En leren dat “te veel” soms gewoon iemands natuurlijke stand is.
Misschien is dat uiteindelijk waar neurodiversiteit werkelijk over gaat. Niet alleen ruimte vragen voor onze eigen gevoeligheden, gebruiksaanwijzingen en grenzen maar ook compassie ontwikkelen voor de mensen die zich dagelijks tot ons proberen te verhouden.
De partners.
De collega’s.
De vrienden.
De teamleden.
De mensen die dapper blijven zitten terwijl wij voor de derde keer uitleggen waarom het licht in deze ruimte “agressief” voelt.
Misschien verdienen zij ook emancipatie. Een lintje. Een standbeeld. Op zijn minst een oprecht dankjewel.
Of tenminste een cursus:
Overleven met een Hoogvlieger — van hypersensitiviteit tot horeca-keuze.
Ik geef me alvast vrijwillig op als casusmateriaal.
Gelukkig blijken veel hoogvliegers uiteindelijk best aardig te landen, mits het grondpersoneel af en toe koffie krijgt. Met een koekje erbij.