Vrouwelijke filosofen in duistere tijden – Over moed, democratie en menselijkheid I Boekrecensie

Vrouwelijke filosofen Vrouwen in duistere tijden alicja Gescinska

Vrouwelijke filosofen in duistere tijden – Over moed, menselijkheid en de kunst van het blijven denken

Er zijn boeken die je onmiddellijk opslokken. Pageturners. En er zijn boeken die je dwingen langzamer te gaan leven terwijl je leest. Vrouwen in duistere tijden van Alicja Gescinska behoort zonder twijfel tot die tweede categorie.

Eerlijk gezegd begon ik er enigszins bevreesd aan. De donkere kaft hielp daarbij niet bepaald mee. Ook speelde mee dat ik tijdens mijn studie bestuurskunde van alle vakken slechts één zes haalde. Voor het vak filosofie. Wat stond me dus te wachten in een boek van ruim vierhonderd pagina’s over vrouwelijke denkers? Zou ik er uit mezelf 5 kunnen noemen? Dat waag ik toch te betwijfelen, als ik heel eerlijk ben … En waarom bestuderen en noemen we eigenlijk zo weinig vrouwelijke filosofen, uit de Middeleeuwen of het Oosten? En … nog een betere vraag: hoe veranderen we dat?

Wellicht vanwege deze vragen voelde ik een intense nieuwsgierigheid opborrelen bij dit boek. Misschien omdat de wereld momenteel zo onrustig aanvoelt. Of omdat democratieën onder druk staan en het publieke debat verhardt. In ieder geval merk ik op dat ik op dit moment in mijn praktijk een aantal vrouwen begeleid die weigeren zich klein te laten maken. Vrouwen die opstaan tegen discriminatie, uitsluiting en onmenselijkheid. Vrouwen die soms als een moderne Jeanne d’Arc op de werkvloer blijven staan terwijl anderen hen liever zouden zien vertrekken.

Wat kan ik – of kunnen zulke vrouwen – leren van Rosa Luxemburg, Anna Achmatova, Edith Stein, Hannah Arendt, Martha Gellhorn, Simone Weil, Jeanne Hersch, Etty Hillesum, Barbara Skarga en Judith Shklar?

Aan het begin van het boek kende ik eigenlijk slechts twee namen echt goed. Etty Hillesum vanwege haar dagboeken uit de Tweede Wereldoorlog. Hannah Arendt omdat ze tijdens mijn studie bestuurskunde regelmatig werd aangehaald. De andere vrouwen waren grotendeels onbekend terrein.

Juist dat maakt dit boek zo bijzonder.

boekbespreking door Petra Hiemstra, 15 mei 2026

Een ode aan de denkkunst

Dit boek gaat niet over snelle conclusies. Niet over managementsamenvattingen. Niet over “de vijf lessen van”. Het is een ode aan de denkkunst zelf.

Voor veel hoogvliegers zal het een feest van herkenning zijn om te lezen hoe scherpe geesten door de geschiedenis heen steeds opnieuw andere scherpe geesten vonden die hen werkelijk zagen. Mensen die groot genoeg waren om grootsheid in een ander te herkennen, erkennen en soms zelfs actief te beschermen of promoten.

Wat Alicja Gescinska prachtig laat zien, is dat deze vrouwen onmogelijk onder één ideologische noemer te plaatsen zijn. Ze verschillen in religie, politieke overtuiging, achtergrond, temperament en levensvisie. Sommigen stonden links, anderen conservatiever. Sommigen waren activistisch, anderen juist beschouwend.

En precies daarin schuilt volgens mij de grote kracht van dit boek.

Het filosofische zoeken heeft alleen zin wanneer meerdere perspectieven naast elkaar mogen bestaan. Goede filosofen bevestigen je wereldbeeld niet voortdurend maar dwingen je juist erbuiten te kijken. Pas in de confrontatie met andersdenkenden ontstaat werkelijk inzicht.

Dat maakt dit boek actueler dan ooit.

Vrouwelijke filosofen en de blinde vlek van de geschiedenis

Wat dit boek daarnaast zichtbaar maakt, is hoeveel vrouwelijke filosofen en denkers lange tijd relatief onzichtbaar zijn gebleven binnen onderwijs, politiek, filosofie en bestuurskunde. Niet omdat hun gedachten minder relevant waren maar omdat geschiedenis en canonvorming vaak vooral mannelijke stemmen centraal stelden.

Juist daarom voelt dit boek ook als een vorm van intellectueel herstelwerk.

Veel van de beschreven vrouwen combineerden een uitzonderlijke intellectuele scherpte met een diep verantwoordelijkheidsgevoel voor het lot van anderen. Ze schreven niet alleen over vrijheid, menselijkheid en rechtvaardigheid maar probeerden daar ook daadwerkelijk naar te handelen. Soms met grote persoonlijke offers tot gevolg.

Politiek en bestuurskunde beginnen bij taal

Als bestuurskundige werd ik vooral geraakt door de voortdurende waarschuwing voor gedachteloosheid, bureaucratie en ontmenselijking. Een van de mooiste passages gaat over taal: “Alles begint met taal. Het mooiste waartoe we als mens in staat zijn en helaas ook het meest barbaarse en wreedaardige. Het moorden begint met woorden.”

Dat is een zin die blijft hangen.

In een tijd waarin groepen mensen, zoals migranten, steeds makkelijker worden weggezet, gedehumaniseerd of gereduceerd tot “probleem”, laat dit boek zien hoe belangrijk taal is voor democratie en menselijkheid. Taal is de kanarie in de kolenmijn. In woorden worden maatschappelijke aardverschuivingen vaak eerder zichtbaar dan in wetten.

Hannah Arendt waarschuwde al dat gedachteloosheid niet hetzelfde is als domheid. Gedachteloosheid is het ontbreken van morele zelfreflectie. Het stoppen van de innerlijke dialoog met jezelf.

Dat inzicht voelt pijnlijk actueel.

Ook haar analyse van bureaucratie trof me. Het tegenovergestelde van democratie is volgens Arendt niet alleen totalitarisme maar ook bureaucratie: systemen waarin niemand zich nog werkelijk verantwoordelijk voelt voor menselijke gevolgen van besluiten.

Voor iedereen die werkt binnen overheid, politiek of grote organisaties bevat dit boek daarom essentiële vragen. Hoe menselijk blijft ons handelen wanneer procedures belangrijker worden dan mensen? Hoe voorkomen we dat systeemdenken empathie verdringt?

Humanitas als morele opdracht

Misschien nog wel het meest ontroerde mij het steeds terugkerende begrip humanitas. Humanitas gaat verloren wanneer we ons terugtrekken in comfort, gemak en eigenbelang. Wanneer we de verantwoordelijkheid voor de ander niet meer willen dragen. Wanneer we ons afsluiten voor het lijden van anderen. Dat is een confronterende gedachte.

Volgens Hannah Arendt ontstaat menselijkheid niet vanzelf. Het is geen karaktereigenschap waarmee je geboren wordt maar een voortdurende oefening. Een culturele, intellectuele en morele opdracht. Humanitas vraagt dat we de publieke ruimte betreden. Dat we met elkaar spreken en betrokken blijven bij de wereld. Dat we niet uitsluitend leven vanuit persoonlijk comfort maar vanuit amor mundi: liefde voor de wereld. Deze idealen raakt me diep.

Juist nu geweld tegen migranten en politici zichtbaar zijn en polarisatie en maatschappelijke verharding aan de orde van de dag lijken te zijn, zou ik wensen dat meer politici dit begrip humanitas explicieter durfden te gebruiken. Niet alleen geweld veroordelen maar óók benoemen wat er verloren gaat wanneer wij onze medemenselijkheid verliezen.

Vriendschap als verzet tegen gedachteloosheid

Opvallend is hoeveel aandacht het boek besteedt aan vriendschap. Niet als gezelligheid. Niet als netwerk. Maar als morele levensader. De beschreven vrouwen waren vaak intellectuele einzelgängers. Ze stonden regelmatig alleen. Werden bekritiseerd. Soms vervolgd. Soms verbannen. Vaak verkeerd begrepen.

Volgens Aristoteles draait echte vriendschap niet om nut of plezier maar om wederzijdse welwillendheid en een gedeelde zoektocht naar waarheid. Het goede van de ander wordt ook jouw eigen goed.

Voor Arendt overstegen vriendschappen het politieke geweld van de wereld. Vrienden boden een thuis wanneer de grond onder je voeten verdween. Juist daarom waren diepe vriendschappen voor hen essentieel.

Ik vond dat, als grootluisteraar, misschien wel een van de hoopvolste boodschappen van het boek. Dat denken niet iets eenzaams hoeft te zijn. Dat groot denken vaak juist ontstaat in dialoog. In wederkerigheid. In mensen die elkaar werkelijk willen verstaan.

Simone Weil over ontworteling en gemeenschap

Bijzonder indrukwekkend vond ik het hoofdstuk over Simone Weil. Haar centrale begrip is enracinement: geworteldheid.

Volgens Weil is ontworteling een morele ramp. Mensen raken ontworteld wanneer schoonheid, traditie, gemeenschap en betekenis verdwijnen. Wanneer zij nergens meer werkelijk thuis zijn. Wat een actuele analyse. In veel maatschappelijke discussies gaat het voortdurend over economie, systemen en cijfers terwijl het verlangen naar verbondenheid, gemeenschap en betekenis misschien minstens zo fundamenteel is.

Wie mensen ontwortelt, schrijft Weil, pleegt uiteindelijk een morele misdaad tegen mens en samenleving. Dat inzicht bleef lang in mijn hoofd rondzingen.

Meningmoed en denkdurf

Wat me ook trof, was de enorme spreekmoed van deze vrouwen. Ze waren kritisch. Eigenzinnig. Niet bang om tegen de stroom in te denken. Ze durfden van mening te verschillen met machthebbers, politieke tegenstanders en soms zelfs met hun eigen vrienden.

Wat een prachtig woord gebruikt Gescinska daarvoor: meningmoed. En misschien nog mooier: denkdurf.

In een tijd waarin sociale media mensen soms reduceren tot kampen, hashtags en morele verontwaardiging, herinneren deze vrouwen ons eraan dat werkelijk denken moed vraagt. Dat vrijheid van denken alleen kan bestaan wanneer pluraliteit beschermd wordt. Democratie leeft bij verschil van inzicht.

Filosofie als publieke verantwoordelijkheid

Een van de meest inspirerende passages gaat over burgerschap. Martha Gellhorn schreef: “Mensen zeggen vaak, met trots: ‘Ik ben niet in politiek geïnteresseerd.’ Ze kunnen net zo goed zeggen: ‘Ik ben niet geïnteresseerd in mijn rechten, mijn vrijheid, mijn toekomst.’”

Dat citaat zou verplichte kost mogen zijn voor iedereen die zich afvraagt waarom politiek ertoe doet. Volgens Gellhorn is burgerschap geen passieve toestand maar een actieve bezigheid. Het vraagt dat burgers zelf nadenken, zich informeren en verantwoordelijkheid nemen voor de samenleving waarin zij leven.

Ook dat maakt dit boek relevant voor iedereen die geïnteresseerd is in politiek en bestuurskunde.

Denken op de schouders van reuzen

Ik glimlachte toen ik las hoe belangrijk klassieke vorming voor Arendt was. Denken gebeurt volgens haar op de schouders van reuzen die ons voorgingen. Dat idee herken ik sterk.

Juist in een tijd van haastige meningen en snelle content voelt dit boek als een pleidooi voor verdieping. Voor langzaam lezen. Echte aandacht. En intellectuele tradities die verder reiken dan het nieuws van de dag.

Ik ontdekte bovendien met plezier het bestaan van École normale supérieure – PSL (alleen de naam al!) waar onder anderen Simone Weil en Simone de Beauvoir studeerden. Een instituut waar intellectuele excellentie expliciet wordt verbonden aan maatschappelijke verantwoordelijkheid. Wat een prachtig ideaal eigenlijk.

Waarom dit boek ertoe doet

Vrouwen in duistere tijden is geen makkelijk boek. Maar wel een noodzakelijk boek.

Het laat zien dat vrijheid kwetsbaar is. Dat democratie onderhoud vraagt. Dat menselijkheid niet vanzelfsprekend is. Dat denken moed vraagt en het lezen ervan discipline en doorzettingsvermogen. Dat taal ertoe doet. Dat vriendschap ons mens houdt. Dat betrokken burgerschap essentieel blijft.

En misschien nog wel belangrijker: het laat zien dat individuele mensen daadwerkelijk verschil kunnen maken. Niet omdat zij perfect zijn. Niet omdat zij de wereld volledig kunnen veranderen. Maar omdat zij weigeren gedachteloos mee te bewegen.

Juist in donkere tijden.

Voor iedereen die geïnteresseerd is in vrouwelijke filosofen, politiek, bestuurskunde, democratie en moreel leiderschap is dit boek daarom een absolute aanrader. Misschien niet om in één weekend uit te lezen. Wel om langzaam mee samen te leven.

Of zoals ik het zelf na afloop voelde: dit boek leert je niet alleen anders denken. Het leert je vooral opnieuw waarom denken ertoe doet.

Van De Bezige Bij mag ik één exemplaar (t.w.v. €29,99) verloten. Iets voor jou?

Stuur dan een mail met in de titel: Vrouwen in Duistere Tijden naar: petra.hiemstra@haagsehoogvliegers.nl en vermeld in de mail je adresgegevens. De naam van de winnaar wordt op deze plek vermeld.

Is dit boek echt iets voor jou? Ren dan naar je plaatselijke bibliotheek, boekwinkel of klik hier voor bol of managementboek.nl.

Delen: