“Je mag me altijd bellen.” Er zijn zinnen die lief bedoeld zijn en toch pijn doen. Niet omdat mensen geen goede intenties hebben maar omdat woorden soms precies blootleggen waar de ander níet toe in staat is. In Je mag me altijd bellen beschrijft schrijfster Karin Kuiper hoe juist deze zin haar na het overlijden van haar man, schrijver Karel Glastra van Loon, intens kon irriteren. Alles in haar dacht: nee. Jij moet míj bellen. En dat herken ik inmiddels als geen ander.
Sinds bijna een jaar ben ik mantelzorger van mijn partner Frans (86), nadat hij met een ernstige bloedvergiftiging in het ziekenhuis belandde en maandenlang intensief moest revalideren. Onze context verschilt volledig van die van Karin Kuiper. Mijn partner leeft gelukkig nog. Tegelijkertijd herken ik tijdens het lezen van dit boek voortdurend iets van de mentale voorbereiding op verlies. Het voorzichtige besef dat het leven langzaam smaller wordt. Dat liefde soms ongemerkt verandert in zorg. Dat je samen nog aanwezig bent terwijl afscheid zich tegelijkertijd al voorzichtig begint aan te dienen.
Dit boek helpt me bij het voorbereiden op het onvermijdelijke. En het feit dat Karin Kuiper makkelijk en met veel humor schrijft maakt dat ik het boek, ondanks het besef van de enorme omvang van haar verdriet, toch met plezier en enige lichtheid gelezen heb.
Raakt het thema rouw en verlieskunst jou (ook)? Ik verloot 5 exemplaren.
door Petra Hiemstra, 12 mei 2026
Het bijzondere van dit boek is dat het niet alleen over rouw gaat maar vooral over wat rouw, verlies en weduwschap doen met het dagelijks leven. Met familie. Met vriendschappen. Met energie. Met sociale omgangsvormen. Met boodschappen doen. Met koken. Met kinderen. Met administratie. Met slapen. Met een lichaam dat te veel cortisol en te weinig endorfines aanmaakt. Met de uitputting van iemand die noodgedwongen moet terugkeren naar “het land der levenden” terwijl alles in haar systeem liever nog even naast de overledene was blijven liggen.
De dood legt genadeloos bloot welke relaties bestand zijn tegen ongemak. Niet iedereen kan zich verhouden tot groot verdriet. Niet iedereen weet wat te doen wanneer iemand anders in een emotionele woestijn terechtkomt. Veel mensen deinzen terug voor rauwheid. Voor stilte. Voor ontregeling. Voor de langdurigheid van rouw. Want dat is misschien wel het meest confronterende inzicht uit dit boek: rouw is geen tijdelijk project dat na enkele maanden weer afgerond raakt. Het is een landschap waar iemand noodgedwongen in moet leren wonen.
Van Imma Zandbergen leerde ik het begrip “triesttaal”. Goedbedoelde taal die eigenlijk geen troost biedt, zoals troosttaal, maar ongemerkt afstand creëert. “Je mag me altijd bellen” valt wat Karin betreft in die categorie. Net als: “We komen snel eens langs.” Of: “We zullen er altijd voor jullie zijn.” Zinnen die vaak volledig oprecht worden uitgesproken maar die vervolgens verdampen in de drukte van het dagelijks leven.
Wat helpt bij rouw is meestal niet ingewikkeld. Het zijn de kleine concrete handelingen die blijven hangen. Mensen die de kinderen meenemen naar de speeltuin zodat een ouder enkele uren alleen kan zijn. Mensen die gezonde maaltijden koken wanneer pasta, pizza en patat noodgedwongen de standaard dreigen te worden en vooral. Die massa’s wegwerp borden en bestek meenemen omdat ze snappen dat opruimen teveel energie kost. Mensen die ’s avonds slingers komen ophangen voor een verjaardag omdat het te verdrietig voelt om dat zelf te doen. Mensen die met kinderen cadeautjes gaan kopen voor moederdag. Mensen die dozen sjouwen. Die meegaan naar de supermarkt. Die kaartjes schrijven op de sterfdag of trouwdag van een overleden partner. Mensen die uitnodigingen blijven sturen voor een wandeling, theaterbezoek of etentje, ook wanneer die uitnodigingen meerdere keren worden afgewezen (en wel dankbaar ontvangen worden).
Dat is misschien wat echte troosttaal uiteindelijk is: geen abstract aanbod maar concrete nabijheid.
Kuiper schrijft indringend over de intense moeheid na het overlijden van haar man. Over het naast hem in slaap vallen nadat hij overleden is. Over de praktische chaos die ontstaat wanneer iemand sterft. Over financiën, hypotheken, verzekeringen, begrafeniskosten en een veranderende relatie met de schoonfamilie.
Maar misschien nog wel indrukwekkender schrijft ze over het gezin na verlies. Over kinderen die verder moeten terwijl een ouder volledig uitgeput is. Over de dankbaarheid voor mensen die gewoon even thee zetten, aanwezig blijven en zich niet direct met de opvoeding bemoeien. Over het belang van lotgenotencontact. Over het verlangen van kinderen om zich na verloop van tijd weer “een gewoon gezin” te voelen.
Mooi vond ik ook hoe Kuiper woorden geeft aan fenomenen waar weinig taal voor bestaat. Zoals de “RouwRat”: het moment waarop kinderen onverwacht vragen stellen over hun overleden vader en daarmee ineens een complete verdrietlawine lostrekken. Of haar beschrijving van OCD-achtig gedrag als “het nettehuissyndroom”: controle proberen te hervinden in een werkelijkheid die fundamenteel ontwricht is geraakt.
Het meest aangrijpende fragment uit het boek vond ik dit citaat, dat de ervaring van rouw misschien nauwkeuriger beschrijft dan veel psychologische handboeken:
“Stiekem had ik altijd de gedachte dat ik – zoals bij een verbroken relatie – na een paar maanden alweer voorwaarts zou gaan. Ik maakte, een beetje genegeerd omdat hij immers nog niet dood was, plannen om de praktische problemen na zijn overlijden op te lossen. Oppas, werk, testament, studies en kinderverdriet, daar dacht ik over na. Ik hield me bezig met zijn afscheid, wat hij nodig had om ons te kunnen achterlaten. Maar hoe het met mijn eigen gevoel gesteld was en zou zijn, wat mij te wachten stond, daar hield ik me nog niet mee bezig. Tijd genoeg om dat te ondervinden als hij dood was, redeneerde ik. Dus had ik geen idee dat het verlies als zoutzuur zou doorvreten, dat de pijn elke dag intenser zou worden, dat de wanhoop ongekend was en dat de weg naar voren in eerste instantie naar achteren voerde.”
Vooral die laatste zin blijft hangen. Dat de weg naar voren eerst naar achteren voert. In een samenleving die sterk gericht is op oplossen, herstellen, doorgaan en functioneren is dat bijna een revolutionaire gedachte. Rouw laat zich niet optimaliseren. Niet versnellen. Niet managen.
Tegelijkertijd is dit boek nergens uitzichtloos. Juist omdat het zo concreet blijft. Omdat het laat zien hoe belangrijk kleine menselijke handelingen zijn. Een arm om iemand heen slaan. Thee zetten. Even blijven zitten zonder advies te geven. Niet meteen met oplossingen komen. Niet uitleggen hoe rouw werkt. Niet zeggen dat de ander moet bellen als er iets is.
Maar zelf bellen.
Zelf langskomen.
Zelf aanbellen met soep, een schroevendraaier of een stapel wegwerpborden.
Misschien is dat uiteindelijk wat verlieskunst van een samenleving vraagt. Niet perfectie. Geen psychologische expertise. Geen grote woorden.
Alleen mensen die niet wegkijken wanneer het leven breekt.
Voor lezers die geraakt zijn door dit indrukwekkende boek over rouw, verlies en weduwschap verloot ik 5 exemplaren van Je mag me altijd bellen van Karin Kuiper.
Wil je kans maken op een exemplaar? Stuur dan een mail naar met als onderwerp: Je mag me altijd bellen naar: petra.hiemstra@haagsehoogvliegers.nl
De boeken worden verloot na publicatie van dit artikel in mijn nieuwsbrief rond het thema verlieskunst in mei/juni 2026.
De namen van de winnaars worden op deze plek bekendgemaakt.
Niet gewonnen? Niet getreurd. Ren naar de plaatselijke bibliotheek of boekhandel — of bestel het boek online. Voor €16,99 krijg je een van de eerlijkste, meest praktische en ontroerende boeken over rouw die ik de afgelopen jaren gelezen heb.